De proeftuinfase van het Onderzoekspraktijken Netwerk Huisartsgeneeskunde (ONH) is afgerond. Met DIAMANT-UWI, LIDIAS en POS-ARI-PC NL heeft het netwerk in drie verschillende proeftuinstudies getoetst hoe praktijkgericht onderzoek via huisartspraktijken landelijk kan worden georganiseerd. Die eerste fase leverde niet alleen resultaten op, maar ook concrete lessen voor het vervolg.
Het doel van de proeftuinstudies was om in de praktijk te toetsen hoe het ONH werkt. Wat vraagt deelname van huisartspraktijken? Welke ondersteuning is nodig? En hoe organiseer je samenwerking tussen onderzoekers en praktijken in meerdere regio’s? De eerste studies geven daarop een bruikbaar antwoord.
Eerste opbrengsten uit de proeftuinfase
De proeftuinfase maakt duidelijk dat het ONH huisartspraktijken aan onderzoek kan verbinden en deelname werkbaar kan organiseren. De eerste proeftuinstudie, DIAMANT-UWI, droeg bij aan die basis. In die studie werd al zichtbaar dat samenwerking tussen onderzoek en huisartspraktijken binnen het netwerk in de praktijk kan werken. In LIDIAS en POS-ARI-PC NL werd die werkwijze vervolgens verder getest.
Dat werd onder meer zichtbaar in de tweede proeftuinstudie LIDIAS, een studie die via het ONH verder is opgeschaald. Sinds de inzet van het netwerk groeide het aantal deelnemende praktijken van 47 naar 62. Met 15 extra praktijken via het ONH kwam het totaal aantal ONH-praktijken binnen LIDIAS op 28. Daarmee groeide niet alleen het aantal deelnemende praktijken met ongeveer 30 procent, maar nam ook de totale inclusiesnelheid duidelijk toe. Vóór de inzet van het ONH includeerden 47 praktijken in ruim zes maanden 60 patiënten. Sinds 1 januari includeerden 62 praktijken in drie maanden 64 patiënten.
Ook POS-ARI-PC NL liet zien dat landelijke uitvoering mogelijk is binnen een beperkte looptijd. Deze studie testte de uitvoer van onderzoek naar acute luchtweginfecties in een periode die kort was door het einde van het infectieseizoen. In totaal tekenden 34 praktijken een onderzoekscontract. Daarvan includeerden 22 praktijken samen 54 patiënten met een luchtweginfectie. Tien praktijken haalden hun vooraf gestelde inclusiedoel.
Wat in de praktijk werkt
De proeftuinfase geeft niet alleen zicht op knelpunten, maar ook op wat juist goed werkt. Duidelijke procedures, heldere materialen en korte online uitlegmomenten helpen praktijken om sneller aan te haken. Ook herkenbaarheid in formats en communicatie maakt deelname overzichtelijker.
Daarnaast blijkt de betrokkenheid van een praktijkmedewerker die GCP-geschoold is, een belangrijke meerwaarde te hebben in het onderzoeksproces. Bij LIDIAS werd bovendien zichtbaar dat ondersteuning door een onderzoeksmedewerker uit de eigen regio praktijken kan helpen om sneller en beter op te starten. En bij kortlopende studies werkt een behapbaar inclusiedoel motiverend: praktijken ervaren sneller voortgang en kunnen een studie ook eerder afronden.
Basis voor het vervolg
De proeftuinfase liet tegelijk zien waar verdere verbetering nodig is. De timing van de start van een studie is belangrijk: vlak voor een schoolvakantie beginnen is in de praktijk onhandig. Ook kost de opstart van een nieuwe studie tijd, omdat iedere praktijk een eigen werkproces en eigen tempo heeft. Die opstarttijd moet in volgende studies ruimer worden genomen.
Bij POS-ARI-PC NL speelde daarnaast mee dat geschikte patiënten met een luchtweginfectie beperkt op consult kwamen. Mogelijk was het virusseizoen bij de start van deze proeftuinstudie al over zijn hoogtepunt heen. Ontzorging, goede voorbereiding en heldere informatievoorziening blijven daarom belangrijke aandachtspunten.
Deelnemen aan het netwerk?
Praktijken die willen verkennen wat deelname aan onderzoek in de praktijk vraagt, kunnen via het ONH meer informatie vinden over werkwijze en aansluiting.
