Hoe zorgen we ervoor dat nieuwe wetenschappelijke inzichten snel en effectief hun weg vinden naar de praktijk? Goed functionerende netwerken spelen hierin een cruciale rol: ze stimuleren innovatie en verbeteren de huisartsenzorg, stelt associate professor Esther de Groot van het UMC Utrecht. Als projectleider van het werkpakket netwerkanalyse binnen het Landelijk Samenwerkingsverband Academische Werkplaatsen Huisartsenzorg (LSAWH), onderzoekt zij hoe regionale academische werkplaatsen samenwerken en hoe dit de huisartsenzorg versterkt.
Netwerken als fundament voor betere zorg
Het doel van de netwerkanalyse is om beter te begrijpen hoe regionale Academische Werkplaatsen Huisartsenzorg (AW–H) met elkaar verbonden zijn en hoe deze verbindingen bijdragen aan het delen en toepassen van kennis. “We willen inzicht krijgen in hoe lerende netwerken functioneren,” legt Esther uit. “Een goed netwerk verspreidt nieuwe wetenschappelijke inzichten sneller en verbetert de kwaliteit van onderzoek door betere aansluiting op de praktijk. Binnen onze onderzoekslijn in het UMC Utrecht lopen al verschillende studies die kijken naar netwerken en hoe daarin informeel geleerd wordt.”
Academische Werkplaatsen Huisartsenzorg
De Academische Werkplaatsen Huisartsenzorg verbinden onderzoekers, huisartsen en patiënten. Deze werkplaatsen vormen een vruchtbare bodem voor innovatie binnen de geneeskunde- en huisartsopleiding, en voor huisartsgeneeskundig wetenschappelijk onderzoek. Nederland telt zeven van deze werkplaatsen, die met financiering van ZonMw tussen 2025 en 2027 verder worden ontwikkeld en geprofessionaliseerd. Het Landelijk Samenwerkingsverband Academische Werkplaatsen Huisartsenzorg (LSAWH) is opgericht om deze regionale academische werkplaatsen te verbinden, samenwerking te stimuleren en onderlinge kennisuitwisseling te bevorderen.

Twee pijlers: lerende netwerken en verbinders
De netwerkanalyse is één van de acht werkpakketten van het LSAWH. Esther richt zich onder andere op de rol van ‘verbinders‘: mensen die bruggen slaan tussen onderzoekers en praktijkmensen. “Met de netwerkanalyse willen we beter begrijpen wat er nodig is om die verbindende rol goed te vervullen. Zo kunnen we deze verbinders in de toekomst beter ondersteunen,” zegt Esther.
De eerste studie onderzoekt het functioneren van lerende netwerken binnen regionale academische werkplaatsen
“We zetten een gevalideerde vragenlijst uit onder regionale huisartsorganisaties (RHO’s), huisartspraktijken en onderzoekers,” vertelt Esther. “Daarmee willen we vaststellen of er sprake is van een lerend netwerk en hoe zich dat ontwikkelt.”
De tweede studie onderzoekt netwerken van verbinders
In haar onderzoek richt Esther zich op de rol van ‘verbinders’: mensen die bruggen slaan tussen onderzoekers en praktijkmensen. “We interviewen 35 verbinders en brengen hun netwerk in kaart,” licht Esther toe. “We willen weten wie met wie in contact is voor de juiste kennisoverdracht en hoe die contacten eruitzien. Dat helpt ons om beter te begrijpen welke factoren bijdragen aan een succesvolle samenwerking tussen onderzoek en praktijk.” De interviews vinden plaats in 2025 en 2027.
“Met de netwerkanalyse willen we de verbindende rol beter begrijpen om verbinders in de toekomst gerichter te ondersteunen,” zegt Esther. Deze studies bouwen voort op bestaande kennis uit sociaalwetenschappelijk onderzoek naar netwerken en hun ontwikkeling.
Waarom verbinding essentieel is
De inzichten uit dit werkpakket versterken de kennisinfrastructuur binnen de huisartsenzorg. “Hoewel huisartsen in de spreekkamer er misschien niet direct iets van merken, bouwen we met deze analyse aan het fundament voor betere zorg,” aldus Esther. “Door huisartsen, onderzoekers en andere – ‘nog–te–identificeren–verbinders’ – beter met elkaar te verbinden, wordt het onderzoek relevanter voor de praktijk en kunnen innovaties sneller worden geïmplementeerd.”
Ook toekomstige huisartsen en onderzoekers zullen profiteren van deze inzichten. “Huisartsen in opleiding zullen beter begrijpen hoe het lerende zorgsysteem werkt, waardoor zij hun netwerk kunnen benutten en hun rol als verbinder versterken,” zegt Esther.
Succesfactoren en toekomstperspectief
Voor het succes van dit werkpakket is medewerking van alle academische werkplaatsen cruciaal. “We hebben een brede en diverse groep deelnemers nodig,” benadrukt Esther. “Daarnaast is het belangrijk dat mensen de doelen van het werkpakket ondersteunen en zich actief inzetten voor kennisdeling en het verzamelen van data.”
De eerste resultaten worden eind 2025 verwacht, maar tussentijds zullen al inzichten worden gedeeld. “Deze kennis bevordert samenwerking en innovatie binnen de huisartsenzorg,” concludeert Esther. “Een sterk netwerk vormt de basis voor betere huisartsenzorg.”

© Esther de Groot | associate professor UMC Utrecht
